De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813. Piet Visser
Чтение книги онлайн.

Читать онлайн книгу De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813 - Piet Visser страница 13

СКАЧАТЬ nu eenmaal óók gejuich en gejubel, en meneer De Celles moet knap zijn, als hij dàt weet klaar te spelen!”

      „Neen, dáár zal hij toch wel geen kans toe zien!” gaf Reinier toe.

      Het bleek echter bij den intocht, hoe deerlijk zij zich hierin vergisten.

      't Is waar, de algemeene stemming bij de burgerij was dof, somber, mokkend; en de prefect begreep zéér goed, van een dergelijke burgerij geen kreten van geestdrift te kunnen verwachten. Maar toch had hij het er op gezet, dat Napoleon bij zijn intocht zou toegejuicht worden, en tot het uiten van die jubelklanken had hij de tweeduizend manschappen op 's Rijks werf en de stedelijke werkwinkels bestemd. Die allen moesten zich bij 's Keizers intocht, onder contrôle hunner kommandeurs—doch zonder eenige onderscheidingsteekens—op bepaalde plaatsen vereenigen, daar hun „Leve de Keizer!” aanheffen en dan zoo gauw mogelijk langs een anderen weg opnieuw den stoet zien te bereiken, om dit spelletje te herhalen.

      Den 9den October, den dag, dat Napoleon zijn intocht zou houden, kon de prefect dus met volle gerustheid achten, de ontvangst behoorlijk en scêne te hebben gezet.

      Te middag begaf zich Jakob, die vrijaf gekregen had, naar het huis van den tabaksverkooper over de Munt, om er den stoet voorbij te zien trekken, gedreven als hij werd door een onweerstaanbaar begeeren, om nu eindelijk den man zelf eens te zien, wiens naam en daden geheel Europa vervulden.

      Hij vond de geheele familie Vermaat op de voorbovenkamer vereenigd.

      Bert en Bruno stormden dadelijk naar hem toe, in de overtuiging dat zij reeds wonderveel nieuws te vertellen wisten.

      „O, o, wat ben je laat! Mijnheer Le Brun is den Keizer al te gemoet gereden!” riep Bert.

      „Met den prefect en den maire!” viel Bruno in.

      „Mijnheer Duterrage was er ook bij!” vervolledigde Bert weer, „en nog een heele boel andere heeren, wel twintig!”

      „Twintig?!—Puh! Wel dertig!” meende Bruno. Toen begonnen zij te kibbelen over het aantal, tot vader hun vermaande om wat rustig te zijn.

      Nu tuurden zij om de vijf minuten de straat in, keken aanhoudend op de klok en zuchtten gedurig: „Wat duurt het toch lang, wat duurt het toch lang!”

      Eindelijk, te drie uur ongeveer, daar ving het bulderen der kanonnen aan en in 't zelfde oogenblik begonnen alle klokken in de stad vroolijk te beieren…

      Bert en Bruno vlogen naar de ramen, schoon daar natuurlijk nog niemendal te zien was dan de dubbele rij van nationale garden, die heel den weg van de Muiderpoort tot aan het paleis bezet hadden en van dit oogenblik af niemand meer door mochten laten.

      „Blijf gerust nog maar wat zitten jongens”, vermaande de tabaksverkooper, „de Keizer is de Muiderpoort nog pas genaderd!”

      Thans begon het wachten die onrustige jongens echter moeilijker te vallen dan ooit.

      Dáár klonk de kreet: Le cheval blanc! Le cheval blanc! aangeheven door eenige personen, die den naderenden stoet voorafgaande, blijkbaar in last hadden de tallooze toeschouwers tot vreugdebetoon op te wekken.

      Allen namen nu aan de ramen plaats.

      Het eerste wat zij te zien kregen, was een piket van de eerewacht te paard.

      Toen volgde de Hollandsche ruiterij onder aanvoering van den generaal Colbert en nog was die niet voorbij of Bert en Bruno riepen om strijd: „Kijk, kijk! Allemaal vreemde soldaten, soldaten met pieken!”

      „Dat zijn Poolsche lanciers!” lichtte hun vader in.

      Na de Polen kwamen vijf statiekoetsen en zij begrepen onmiddellijk, dat in het laatste op een na de Keizerin moest zitten, want het was bespannen met niet minder dan acht melkwitte paarden, terwijl acht pages terzijde van het rijtuig gingen.

      Nu volgde een piket van vijf-en-twintig grenadiers te paard; daarop drie afdeelingen kurassiers, het piket van 's Keizers lijfwacht, de jagers der garde, de ordonnance-officieren en eindelijk, op een wit Arabisch paard—de Keizer!

      Plotseling daverde een zwaar en krachtig: Vive l' Empereur! Want de stadstimmerlieden en stratenmakers, die kort te voren hun jubelkreet op de Botermarkt5 hadden uitgegalmd, waren langs de Kistenmakersgracht naar de Muntsluis geijld, om thans ook hier hun gejuich aan te heffen.

      „Is dàt nu de Keizer!” zeiden Bert en Bruno teleurgesteld.

      „Stil, jongens!” waarschuwde hun vader, „of je gaat onmiddellijk naar de achterkamer!”

      Maar ook hij was zichtbaar teleurgesteld en evenzeer Reinier en Jakob.

      Die kleine, tamelijk gezette persoon, met zijn ronden rug, gekleed in de eenvoudige uniform van kolonel der garde-jagers te paard, die man, met zijn fluweelzachte oogen in het bleek-bolle gezicht, was dàt nu die geduchte Napoleon, waar heel Europa voor sidderde?

      En toch,—terwijl het vervolg van den schitterenden stoet, de officieren van 's Keizers Huis, de maarschalken, de generaals en stafofficieren, de grenadiers van de lijfwacht te paard, de dragonders der lijfwacht en eindelijk de zevende afdeeling kurassiers, terwijl dat alles aan hun blikken voorbijtrok, zagen zij in hun verbeelding nog altoos die kleine, gezette figuur met de raadselachtige oogen in het bleek-bolle gelaat.

      Toen de Keizer, in het paleis aangekomen, zich op het balkon vertoonde aan de menigte, die geheel den Dam vulde, klonk het gejuich en gejoel nog luider dan ergens anders.

      Geen wonder, het stads- en landswerkvolk, dat gecontroleerd door zijn kommandeurs, zich op verschillende plaatsen bij de geheime politie had moeten aansluiten, om het Vive l' Empereur aan te heffen, had nergens gelegenheid gevonden, de Kalverstraat troepsgewijze binnen te dringen, om de voorgeschreven kreten te herhalen, doch het kreeg gelegenheid te over, om naar den Dam te snellen. Daar was ieder op het appèl en het Vive l' Empereur daverde schier onafgebroken door de lucht.

      Mijnheer De Celles kon te vreden zijn: Amsterdam had den Keizer met gejuich ontvangen, schoon de prefect hierdoor met zijn eigen rapporten in tegenspraak gekomen was, die herhaaldelijk van de ontevreden stemming onder het volk gerept hadden. Om de waarheid dezer beweringen te staven, had hij niets anders behoeven te doen, dan de ontvangst van den Keizer geheel aan het volk over te laten. Maar—hij wist het—in dat geval zou aan Napoleons triomftocht een volkomen fiasco ten deel zijn gevallen.

      Intusschen, men kon Napoleon niet straffeloos misleiden, zelfs niet om hem te vleien. Hij wees De Celles, die hem op het balkon gevolgd was, op de juichende menigte en zei: „Zie eens, mijnheer de prefect, hoezeer u zich vergist heeft!”

      De Celles was echter voorbereid op die aanmerking en met een buiging antwoordde hij hoffelijk: „Sire, dat is de cijns, die ieder volk brengt aan den grootsten man zijner eeuw.”

      Onmiddellijk daarop ontving de Keizer de ministers en den staatsraad ten gehoor en zoolang hij te Amsterdam vertoefde werden iederen dag opnieuw mannen van rang en aanzien ter audiëntie ontvangen.

      Evenals bij zijn luisterrijken intocht deed hij bij deze gehooren de zeldzaamste pracht en weelde ten toon spreiden. Men kon zich inderdaad niets schitterenders voorstellen dan het Keizerlijk hof op het paleis te Amsterdam. De rijke en smaakvolle tooisels der dames van het Huis der Keizerin, de kostbare en verblindende costumes der groot-officieren, der hooge ambtenaren, der aides-de-camp en ordonnance-officieren, het civile en militaire Huis des Keizers uitmakende, de rijke mengeling van uniformen der officieren van land- СКАЧАТЬ



<p>5</p>

Tegenwoordig het Rembrandtsplein.