Название: Een Toernooi Van Ridders
Автор: Морган Райс
Издательство: Lukeman Literary Management Ltd
Жанр: Героическая фантастика
Серия: De Tovenaarsring
isbn: 9781632917041
isbn:
“Recht vooruit!” riep Koldo.
Kendrick keek en zag in de woestijn het spoor wat dankzij hem en de anderen van de Ring was overgebleven. Hij zag hun voetsporen, nu in het zand gehard, de horizon in verdwijnen.
Koldo stopte waar ze geëindigd waren. Hij wachtte even, net als de anderen, hun paarden hijgden. Ze keken allemaal naar beneden en bestudeerden ze.
“Ik had verwacht dat de woestijn ze weg zou vagen,” zei Kendrick verrast.
Naten grijnsde naar hem.
“Deze woestijn vaagt niets weg. Het regent nooit – en het onthoudt alles. Deze afdrukken van jullie zou ze zo naar ons toe brengen – en zou tot de ondergang van de Bergrug leiden.”
“Hou ermee op hem op te jutten,” zei Koldo duister tegen Naten, zijn stem vol met gezag.
Ze draaiden zich om en zagen hem dichtbij staan, Kendrick voelde zich dankbaar jegens hem.
“Waarom zou ik?” antwoordde Naten. “Deze mensen hebben dit probleem veroorzaakt. Ik kon nu veilig in de Bergrug zijn.”
“Ga zo door,” zei Koldo, “en ik stuur je nu meteen naar huis. Je wordt van deze missie gehaald en zal aan de Koning uitleg moeten geven waarom je deze toegewezen aanvoerder minachtend hebt behandeld.”
Naten, eindelijk nederig, keek naar beneden en reed naar de andere kant van de groep toe.
Koldo keek naar Kendrick en knikte naar hem met respect, de ene aanvoerder tegen de andere.
“Ik verontschuldig me voor weerstand van mijn mannen,” zei hij. “Zoals je weet, kan een aanvoerder niet altijd voor al zijn mannen spreken.”
Kendrick knikte respectvol terug en had nu nog meer bewondering voor Koldo.
“Is dit het spoor van jouw mensen?” vroeg Koldo en keek naar beneden.
Kendrick knikte.
“Zo te zien wel.”
Koldo zuchtte, draaide zich om en volgde het.
“We zullen het tot het einde volgen,” zei hij. “Zodra we het einde bereiken, zullen we terugkeren en het uitwissen.”
Kendrick was in de war.
“Maar laten we zelf geen spoor achter als we terug gaan?”
Koldo gebaarde en Kendrick volgde zijn blik. Hij zag verschillende apparaten die er als harken uitzagen achterop de paarden vastgezet.
“Vegers,” legde Ludvig uit die naast Koldo kwam. “Zij zullen ons spoor uitwissen terwijl we rijden.”
Koldo glimlachte.
“Dit heeft de Bergrug eeuwenlang onzichtbaar voor onze vijanden gehouden.”
Kendrick bewonderde de vindingrijke apparaten. Toen klonk er een kreet terwijl de mannen hun paarden aanspoorden, zich omkeerden en het spoor volgden. Ze galoppeerden door de woestijn, terug de Woestenij in, richting de horizon van leegte. Ondanks zichzelf, keek Kendrick achterom en wierp een laatste blik op de Zandmuur. En voor de een of andere reden werd hij overspoeld door het gevoel dat hij nooit, nooit, meer zou terugkeren.
HOOFDSTUK VIER
Erec stond aan de boeg van het schip, samen met Alistair en Strom en hij keek zorgelijk naar de nauwer wordende rivier. Vlak achter hem was zijn kleine vloot, het alles wat over was van wat van de Zuidelijke Eilanden was gevaren. Ze kronkelden op deze eindeloze rivier, steeds maar dieper in het hart van het Keizerrijk. Op sommige punten was de rivier zo breed als een oceaan, konden ze de oevers niet zien en het water was helder; maar nu zag Erec dat het aan de horizon smaller werd. Ze kwamen bij een knelpunt van misschien maar twintig meter breed en het water werd troebel.
De professionele soldaat in Erec stond op scherp. Hij hield niet van krappe plekjes als hij zijn mannen leidde en hij wist dat de nauwer wordende rivier zijn vloot vatbaarder voor een hinderlaag maakte. Erec keek over zijn schouder en zag geen teken van de enorme Keizerlijke vloot die ze op zee ontvlucht waren; maar dat betekende niet dat ze er niet waren, ergens. Hij wist dat ze de achtervolging nooit op zouden geven totdat ze hen gevonden hadden.
Met zijn handen op de heupen draaide Erec weer terug en vernauwde zijn ogen. Hij bestudeerde aan beide kanten het eenzame Keizerrijk, dat zich eindeloos uitstrekte met grond van gedroogd zand en harde rotsen, armoedige bomen en geen enkel teken van beschaving. Erec tastte de oevers af en was ten minste dankbaar dat hij geen forten of Keizerlijke bataljons aan de rivier zag liggen. Hij wilde zo snel mogelijk met zijn vloot stroomopwaarts naar Volusia zeilen, Gwendolyn en de anderen vinden en ze bevrijden – en dan daar weggaan. Hij zou ze over de zee naar de veiligheid van de Zuidelijke Eilanden brengen, waar hij ze kon beschermen. Hij wilde onderweg geen enkele afleiding.
Maar aan de andere kant baarde de onheilspellende stilte en het uitgestorven landschap hem zorgen: verstopte het Keizerrijk zich daar, wachtende om ze te besluipen?
Erec wist dat er een nog groter gevaar was dan wachten op een aanval van de vijand. Dat was verhongeren. Dat was een veel dringender zorg. Zij doorkruisden een eenzame woestenij en al hun voorraden waren bijna op. Terwijl Erec daar stond, voelde hij het knagen in zijn buik. Hij had zichzelf en de anderen al veel te lang op een rantsoen van één maaltijd per dag gezet. Hij wist dat als ze in dit landschap niet snel wat voedsel zouden vinden, ze een veel groter probleem zouden hebben. Zou deze rivier ooit eindigen? vroeg hij zich af. En als ze nu nooit Volusia zouden vinden?
En erger: als Gwendolyn en de anderen daar nu niet meer waren? Of al dood waren?
“Nog één!” riep Strom.
Erec draaide zich om en zag een van zijn mannen een vislijn omhoog halen met een helder gele vis eraan. Het plofte op het dek neer. De zeeman stapte erop en Erec ging er samen met de anderen omheen staan en keek neer. Hij schudde teleurgesteld zijn hoofd: twee hoofden. Het was nog een giftige vis die in overvloed leek te leven in deze rivier.
“Deze rivier is vervloekt,” zei de man en smeet zijn hengel neer.
Erec liep naar de reling terug en bekeek teleurgesteld het water. Hij voelde een aanwezigheid en zag Strom naast hem komen staan.
“En wat als deze rivier ons niet naar Volusia brengt?” vroeg Strom.
Erec zag de bezorgdheid in het gezicht van zijn broer en hij deelde het.
“Het zal ons ergens heen leiden,” antwoordde Erec. “En het brengt ons naar het noorden. Als het niet naar Volusia is, dan steken we het land te voet over en vechten we ons ernaartoe.”
“Moeten we dan onze schepen achter laten? Hoe kunnen we dan uit deze plek ontsnappen? Naar de Zuidelijke Eilanden terugkeren?”
Erec schudde langzaam zijn hoofd en zuchtte.
“Misschien helemaal niet,” antwoordde hij eerlijk. “Geen enkele zoektocht naar eer is veilig. En heeft dat ooit jou of mij tegen gehouden?”
СКАЧАТЬ